WAT IS BRAZILIAANS JIU-JITSU?

Braziliaans Jiu-Jitsu (BJJ) is een vechtkunst waarbij het draait om het controleren van een tegenstander die weerstand biedt, op een manier die hem dwingt op te geven. Gezien het feit dat dit over het algemeen makkelijker zal zijn op de grond dan staand, draait veel van de techniek bij Braziliaans Jiu-Jitsu om het naar de grond brengen van de tegenstander en het daar verkrijgen van een dominante positie om de tegenstander onschadelijk te maken.

De vaardigheid om een grotere, sterkere en agressieve tegenstander te controleren en overwinnen is de kern van de kunst. Dit gebeurd door het inzetten van een betere kennis van hefboomwerking en positionering. Deze kennis kan uiteindelijk worden gebruikt om tegenstanders te controleren met het niveau van dwang dat de student wenst. Dit is waar Jiu-Jitsu zich onderscheid van andere vechtkunsten, de mogelijkheid een tegenstander onschadelijk te maken met slechts de minimaal vereiste hoeveelheid geweld.

Het beoefenen van BJJ is zowel fysiek als mentaal uitdagend. Studenten profiteren van een enorme toename in fysieke conditie, probleem oplossend vermogen, zelf bewustzijn en natuurlijk de vele sociale voordelen van het samenwerken met een grote groep individuen met dezelfde interesses, terwijl je samen dingen uitprobeert en leert.

Je kunt BJJ beoefenen als zelfverdediging, maar ook als competitiesport tijdens Braziliaans Jiu-Jitsu en/of Grappling (zonder pak) wedstrijden. Bij voldoende beheersing van het BJJ is het eventueel ook mogelijk om deel te nemen aan Mixed Martial Arts (MMA) wedstrijden. Deze laatste full-contact wedstrijdvorm vereist een hoog niveau van zowel het staande als het grondgevecht.

OORSPRONG VAN HET JIU-JITSU

De ware oorsprong van Jiu-Jitsu is gehuld in nevelen. Volgens sommigen zou het een volledig Japanse creatie zijn, terwijl anderen suggereren dat Jiu-Jitsu Chinese, Indiase of zelfs Griekse wortels heeft (verspreid via de veroveringen van Alexander de Grote). Wat zeker is is dat tijdens de Sengoku en Muromachi periodes in de Japanse geschiedenis de samurai een systeem begonnen te ontwikkelen voor het gevecht op korte afstand, met een voorkeur voor worpen, gewrichtsklemmen, verwurgingen en technieken die de tegenstander buiten gevecht stellen. Deze methodes hadden de voorkeur omdat de stoot technieken uit andere man-tot-man systemen die gebruikt werden niet effectief waren tegen de samurai vanwege de harnassen die deze op het slagveld droegen.

De term ‘Jujitsu’ werd pas voor het eerst gebruikt in de Edo Periode, in de zeventiende eeuw. Nieuwe en strengere wetten die door het Tokugawa Shogunaat werden geintroduceerd hadden als doel het aantal oorlogen te verminderen, en tastten de heerschappij van de samurai met hun wapens en harnassen aan en vergrootte zo de noodzaak tot het verder doorontwikkelen van de Jiu-Jitsu technieken. Omdat er minder oorlogen waren richtten de talrijke scholen (of ‘ryu’), met hun sterk competitieve instelling, zich op het duelleren en daagden ze elkaar uit tot wedstrijden. Dit competitieve karakter leeft tot op de dag van vandaag voort. Later zou het beoefenen van Jiu-Jitsu meer gecanoniseerd worden, waarbij de vernietigende en gewelddadige technieken vooral onderwezen werden als gechoreografeerde reeksen van bewegingen die bekend staan als ‘kata’. Het uitsteken van ogen of het stoten op het kruis zijn voorbeelden van technieken die niet realistisch geoefend kunnen worden vanwege de overduidelijke gevaren voor de beoefenaars. Uiteindelijk zou een jonge student van dit klassieke Jiu-Jitsu hier een probleem in zien. Zijn naam was Jigoro Kano.

Het geniale aan Kano was dat hij inzag dat hij Jiu-Jitsu effectiever kon maken door de dodelijke en gevaarlijke technieken weg te halen zodat beoefenaars op volle kracht zouden kunnen oefenen. Met deze methode zouden levensechte atletische vaardigheden kunnen worden ontwikkeld. Kano zou uiteindelijk de term ‘Judo’ invoeren om zo het verschil tussen zijn revolutionaire systeem en de meer klassieke scholen van Jiu-Jitsu duidelijk te maken.

Een van Kano’s studenten, Mitsuyo Maeda, zou Judo (toen ook wel bekend als Kano Jiu-Jitsu) in Brazilië introduceren. Oorspronkelijk was Maeda een leerling van het Sumo en Jiu-Jitsu. Hij kwam naar Kano’s school (de Kodokan) toen hij 18 jaar oud was en werd al snel een van Kano’s beste leerlingen. Hij werd daarom uitgekozen als ambassadeur van de Kodokan en kreeg de opdracht haar technieken over de hele wereld uit te dragen. Tijdens zijn reizen ging Maeda vele uitdagingen/gevechten zonder regels (no-holds-barred) aan, iets waar Kano fel tegen gekant was en verboden had. Om niet in conflict met Kano en de Kodokan te geraken gebruikte Maeda maar zelden de nieuwe term ‘Judo’ als het om dergelijke uitdagingen ging en gaf hij de voorkeur aan de oudere term ‘Jiu-Jitsu’ als hij deze vechtstijl beschreef.

Toen Carlos Gracie een leerling van Maeda werd ontving hij niet alleen onderwijs in de Kosen stijl van Judo, de favoriete stijl van Maeda met een sterke nadruk op het grondgevecht. Hij leerde ook de ‘no-holds-barred’ tactieken die Maeda zelf had ontwikkeld tijdens zijn ring-gevechten.

Carlos zag veel potentieel in het Jiu-Jitsu als methode voor persoonlijke ontwikkeling en begon onmiddellijk met het doorgeven van wat hij geleerd had aan zijn broers en diens zonen. Gezamenlijk zou de familie het Jiu-Jitsu verder doorontwikkelen en zou hun kenmerkende eigen stijl van het Braziliaans Jiu-Jitsu ontstaan die ze Gracie Jiu-Jitsu zouden noemen.

Wellicht de beroemdste beïnvloeder van de familie stijl was de jongste broer van Carlos: Helio Gracie. De iele bouw van Helio en zijn gebrek aan fysieke kwaliteiten zorgde ervoor dat hij de toepassing van de hefboomwerking verbeterde en dat hij een verdedigende strategie ontwikkelde die kleinere en zwakkere individuen in staat stelden zich daadwerkelijk te verdedigen tegen grotere en sterkere tegenstanders.